Bereken je minder dan € 38 per uur? Dan verandert er in 2027 iets. WIRA uitgelegd.

| Geschreven door Bas
wira-wetgevind-uurtarief-onder-38-euro

Op 21 april 2026 nam de Tweede Kamer de Wet invoering rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst (WIRA) op basis van uurtarief aan. De Eerste Kamer stemde op 16 juni in en op 30 juni volgde publicatie in het Staatsblad. De wet treedt op 31 december 2026 in werking.

De kern: werk je als zelfstandige voor minder dan € 38 per uur, dan geldt het vermoeden dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Doe je daar een beroep op, dan moet je opdrachtgever bewijzen dat dat niet zo is. Lukt hem dat niet, dan heb je recht op alles wat bij een dienstverband in loondienst hoort: loondoorbetaling bij ziekte, vakantiedagen, ontslagbescherming. Als opdrachtgever een valkuil, als zzp'er een kans.

Dit is geen Belastingdienst-regel

Het rechtsvermoeden dat geregeld wordt via WIRA werkt uitsluitend civielrechtelijk, tussen jou en je opdrachtgever. Het werkt niet door naar de fiscaliteit of de sociale zekerheid. De Belastingdienst toetst niet aan dit rechtsvermoeden, maar doet zijn eigen beoordeling langs de bekende lijn van loon, arbeid en gezag. 

Dit is dus geen extra handhavingsrisico waar je een naheffing van krijgt. Het is een route die jij als werkende kunt bewandelen als je vindt dat je eigenlijk werknemer bent.

Er gebeurt niets automatisch

Nog een misverstand dat je vaak leest: je wordt niet vanzelf werknemer zodra je onder de € 38 zit. Jij moet er zelf een beroep op doen bij je opdrachtgever of bij de rechter. Doe je dat niet, dan verandert er niets aan je situatie.

Het is een vermoeden, geen grens

De minister heeft dit tijdens de behandeling nadrukkelijk benoemd. Die € 38 is geen minimumtarief en geen maximumtarief. Het werkt twee kanten op:

  • Werk je onder de € 38, dan kun je nog steeds gewoon zelfstandige zijn, mits je aan de criteria uit de vaste rechtspraak voldoet.
  • Werk je boven de € 38, dan ben je daarmee niet gevrijwaard. Schijnzelfstandigheid kan ook bij een hoog tarief bestaan.

De beoordeling van een arbeidsrelatie blijft draaien om artikel 7:610 BW : elke situatie wordt apart bekeken. Het rechtsvermoeden verandert alleen wie moet bewijzen.

Ook lopende opdrachten vallen eronder

Er is geen ingroeiperiode en geen uitzondering voor bestaande afspraken. Een opdracht die op 31 december 2026 loopt, valt er vanaf dat moment gewoon onder.

Wat dit voor jou als zzp'er betekent

Op papier krijg je er een recht bij, en dat is precies de bedoeling van de wet. Laagbetaalde zelfstandigen zijn vaker kwetsbaar en hebben minder onderhandelingsruimte. Maar er zit een keerzijde aan, en die wordt in de berichtgeving zelden benoemd.

Het wetsvoorstel heeft een beoogd preventief effect: de verwachting is dat opdrachtgevers vooraf scherper gaan toetsen of inhuur onder de drempel wel past bij zelfstandigheid. Dat klinkt redelijk. In de praktijk kan het betekenen dat opdrachtgevers onder de € 38 simpelweg niet meer willen inhuren, of dat ze je richting een payroll- of detacheringsconstructie duwen.

Je krijgt dus een recht dat je waarschijnlijk niet wilt inroepen bij een opdrachtgever met wie je verder wilt, terwijl datzelfde recht je positie op de markt kan verzwakken. Dat is een ongemakkelijke combinatie. Het is ook precies het mechanisme dat we eerder beschreven bij de constructies die worden verkocht als de veilige route. Elke nieuwe onzekerheid levert iemand een verdienmodel op.

Wat is € 38 per uur eigenlijk?

Even concreet, want dat cijfer zweeft nogal.

Bij € 38 per uur Bedrag
1.200 declarabele uren € 45.600 omzet
Zakelijke kosten (indicatie) − € 10.000
Winst voor belasting ongeveer € 35.600

Daar moet vervolgens nog uit: je inkomstenbelasting, je pensioenopbouw, een arbeidsongeschiktheidsverzekering en een buffer voor ziekte en leegloop. Als werknemer betaalt je werkgever die laatste drie grotendeels mee.

Zo bekeken is € 38 geen hoog tarief. Het is ongeveer het punt waarop zelfstandigheid economisch nog uit kan, en dat is vermoedelijk precies waarom de wetgever daar de grens heeft gelegd.

Wat je nu kunt doen

Vier dingen, in volgorde van belang.

Ken je eigen tarief en je positie. Zit je onder de € 38, weet dan dat je opdrachtgever hier vanaf eind december naar gaat kijken. Anticipeer op dat gesprek in plaats van erdoor overvallen te worden.

Zorg dat je verhaal klopt. Werk resultaatgericht in plaats van op uren, houd meerdere opdrachtgevers aan, draag eigen risico en presenteer je extern als zelfstandige. Dat is niet alleen goed voor dit rechtsvermoeden, het zijn ook de criteria waarop de Belastingdienst nu al toetst en waar de Zelfstandigenwet straks op voortbouwt.

Overweeg je tarief. Niet omdat de wet dat voorschrijft, maar omdat een tarief onder de drempel je opdrachtgever vanaf eind december extra huiswerk oplevert. Dat is een reëel onderhandelingsargument.

Investeer in je eigen bedrijfsmiddelen. Eigen gereedschap, eigen apparatuur, eigen vervoer. Dat is zichtbaar ondernemersrisico en het weegt mee in elke beoordeling van je positie.

Hoe dit past in het grotere plaatje

Dit rechtsvermoeden was oorspronkelijk onderdeel van de Wet verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties, de VBAR. Het verduidelijkingsdeel daarvan is geschrapt. Wat overbleef was het rechtsvermoeden op basis van uurtarief, en dat is losgetrokken zodat het sneller kon worden ingevoerd.

De verduidelijking zelf komt terug in de Zelfstandigenwet, met negen cumulatieve criteria en een beoogde ingangsdatum van 1 januari 2028. En daarnaast handhaaft de Belastingdienst sinds begin 2025 gewoon op schijnzelfstandigheid langs de bestaande rechtspraak.

Wat Wanneer
Handhaving op schijnzelfstandigheid hervat 1 januari 2025
Rechtsvermoeden bij uurtarief onder € 38 31 december 2026
Zelfstandigenwet met negen criteria beoogd 1 januari 2028

Drie sporen dus, met verschillende toetsen, verschillende ingangsdata en verschillende juridische werking. Dat het niet meer bij te houden is, is geen gebrek aan oplettendheid van jouw kant. Het ís ook gewoon ingewikkeld geworden.

Tot slot

De bedoeling van deze wet is goed. Laagbetaalde zelfstandigen hebben vaak weinig te kiezen en het is redelijk dat de bewijslast dan bij de opdrachtgever ligt. Of het in de praktijk ook zo uitpakt, moet blijken. De kans is reëel dat een deel van de opdrachtgevers de drempel gaat gebruiken als selectiecriterium in plaats van als aansporing om beter te betalen. Dan verschuift het probleem in plaats van dat het wordt opgelost.

Wat je daar zelf tegenover kunt zetten is je positie als ondernemer onderbouwen. Meerdere opdrachtgevers, eigen risico, eigen investeringen, een eigen auto op de zaak en een tarief dat past bij wat je levert. Dat helpt bij elk van de drie sporen tegelijk.

Dit artikel is algemene informatie en geen juridisch advies. Bronnen: Kamerstukken 36783, Staatsblad 2026 nr. 158, en analyses van Houthoff en de Werkgeverslijn.

€
€
€

€ - p/m

Nieuws